Doñana (Sp)

Maandag 16 mei 2016
We nemen afscheid van onze gezellige buren, de Rotter- en Amsterdammers blijven nog wel even staan, Jochem en Hanneke gaan ook weer verder. Over de kustweg rijden we naar de grensplaats Ayamonte aan de Rio Guadiana. Helaas, het veer is alleen voor voetgangers. Dan gaan we maar over de snelweg en de grote brug de rivier en de grens over. Bij de eerste afrit na Huelva verlaten we de snelweg. Marga heeft weer mooie kleine wegen ontdekt naar Almonte. Al snel komen we terecht in een file.
De miljoen bezoekers van de Pinksterbijeenkomst van broederschappen in El Rocio gaan naar huis.
We besluiten niet naar het dorp te gaan, maar houden de hoofdweg aan en draaien om.
Uiteindelijk slaan we af naar La Calera in het noordelijk deel van Parque Nacional de Doñana. Deze route wordt ook genomen door één van de broederschappen met hun huifkarren. Meisjes zitten op het achterbalkon van de huifkar in hun mooie flamencojurken. Ze hebben tractorpech en we moeten op de smalle weg de hele stoet passeren. Daarna rijden we 15 kilometer door een dennenbos met veel bijzondere planten. Eindelijk vinden we de camping waar we naar op zoek waren. Dat is maar een saaie boel en bovendien blijkt dat Parque Nacional de Doñana nog zeker een week gesloten is.
Op de terugweg naar de hoofdweg komen we terecht in de uittocht van allerlei broederschappen, elk met zijn eigen soort huifkarren en Mariabeelden. Sommige worden getrokken door grote stieren, heel indrukwekkend! Marga schiet heel wat foto’s van dit spektakel. Al met al willen we toch wel graag een camping vinden voor de nacht.
Vanaf Almonte rijden we een heel stuk terug over de A484 en bij een kleine zijweg slaan we links af. Het wordt een lange tocht door een duingebied.
Soms passeren we paard en wagen van El Rocio bezoekers. Om de 500 meter is er een drempel op de weg, je wordt er gek van. Aan het eind van deze weg, de kustweg A494, gaan we stukje naar het zuiden en daar komen we terecht op een bijna lege megacamping. Vooruit dan maar, we hebben een plek en zijn moe van het rijden.
’s Avonds lopen we naar de zee, d.w.z.  we belanden op een klif met de zee en de overblijfselen van een fort diep beneden ons.